Trekschuit Jan Salie
Met
de Jan Salie keert de trekschuit in Midden-Holland terug.
De schepen verzorgen recreatieve rondvaarten in de Goudse grachten en op
de rivieren in het omliggende polderland. De Jan Salie heeft als ligplaats
de Goudse Museumhaven. Van daaruit worden rondvaarten gemaakt door de Goudse
grachten en, via de Mallegatsluis en de Julianasluizen, op de Hollandse
IJssel en de Gouwe.
De Jan Compagnie (in aanbouw) krijgt vanaf 2009 als thuishaven fort
Wierickerschans nabij Bodegraven. Het fort, ooit onderdeel van de Oude
Hollandsche Waterlinie, is een ideale uitvalsbasis voor tochten op de Oude
Rijn en de polderriviertjes de Enkele en Dubbele Wiericke. De Jannen zijn
net als den Onthaestingh van alle gemakken voorzien: comfortable roef,
zonnedek, toilet, cv, koffiehoek en minibar.
Historie
De Jan Salie is een replica‘ van het oerHollandse scheepstype de trekschuit. De schepen zijn in opdracht van de Stichting Het Varend IJsselschip ‘herontworpen‘ aan de hand van oude afbeeldingen en documentatie. Opvallende kenmerken zijn de van boord tot boord omspannende roef (gangboorden ontbreken), de scherpe ‘aquadynamische‘steven om de weerstand te beperken en de trekmast. Vermeldenswaard is ook het gebruik bij de bouw van materialen uit de streek. Speciaal voor de schepen werden enkele eiken gekapt in het parkbos van het Huis te Linschoten.
Openbaar vervoer over water
Tijdens de vaarten krijgen de passagiers een
indruk van het openbaar vervoer van weleer. Het trekvaartennet vindt zijn
oorsprong in het midden van de 17de eeuw, toen er onder invloed van de
bloeiende handel en nijverheid behoefte ontstond aan betere vervoersmogelijkheden.
In enkele tientallen jaren tijd werden in opdracht van de overheid tientallen
vaarten gegraven, jaagpaden aangelegd en sluizen gebouwd.
De beurtvaarten
waren gebonden aan vaste dienstregelingen. Zij konden goed concurreren
met de postwagen, het belangrijkste vervoer over de weg in die dagen. Varen
was veel gerieflijker dan het gehobbel in een ongeveerde wagen over onverharde
wegen vol kuilen. De trekschuit werd getrokken door een paard of ook wel
door de schipper of een familielid. Het paard werd bereden door een ‘jager‘.
Het paard is met een lijn verbonden aan de trekmast van de schuit. Terwijl
de schipper aan het roer staat, leidt de jager het paard over het smalle
jaagpad. Langs de Oude Rijn, de Hollandse IJssel en tal van andere vaarten
zijn delen van de jaagpaden bewaard gebleven.
Het trekschuitvervoer beleefde
zijn bloeiperiode in het begin van de 19e eeuw. Uit Amsterdam vertrokken
in die jaren ongeveer dagelijks ongeveer honderd trekschuiten in alle windrichtingen.
Toen in de tweede helft van de 19e eeuw het wegennet beter werd, kreeg
de trekschuit grote concurrentie van de diligence. De komst van het spoor
betekende de doodsteek voor de trekschuit. Rond 1880 was het definitief
gedaan met de trekschuit, maar de beurtvaartdiensten bleven tot ver in
de 20ste eeuw bestaan.